Een contextuele ervaring in het basisonderwijs

Binnen het basisonderwijs zien we dagelijks gedrag dat niet altijd direct te begrijpen is. Wat zegt dat gedrag? En hoe kun je als professional écht aansluiten bij wat een kind nodig heeft? Binnen de contextuele benadering kijken we voorbij het zichtbare gedrag en zoeken we naar de onderliggende behoeften, ervaringen en relaties. Soms vraagt dat om vertragen, nabij zijn en vooral: luisteren zonder oordeel.

Onderstaand praktijkverhaal van Isis van der Slikke laat zien wat dit in de praktijk kan betekenen.

Praktijkervaring

Met een boze kreet gaat ze aan haar tafel zitten. Met haar rug naar me toe en ze kijkt naar beneden. Er zit nu een meisje ingedoken achter haar tafel, verstopt onder haar pet. Weerstand tegen alles. Alles in haar houding schreeuwt: ‘Laat me met rust!’, maar dat is niet wat ik deed.

Dit meisje uit groep 8 ken ik nu zes weken. Contextueel gezien is haar onrecht aangedaan in haar thuissituatie. Ze laat destructief gedrag zien naar zichzelf en de wereld om haar heen. Ze zoekt naar veiligheid, maar duwt tegelijkertijd iedereen weg. Haar weerstand beschermt het meest kwetsbare deel van haarzelf.

Terug in de klas ga ik naast haar zitten. Een klein stukje van haar vandaan. Steeds een klein stukje dichterbij. Voorzichtig leg ik een arm om haar heen en kijk of ze me toelaat. Dat doet ze. Ze begint zachtjes te huilen.

Ik ga iets dichterbij zitten en vraag of ik haar een knuffel mag geven. Dat mag. Vanuit de zijkant sla ik mijn armen om haar heen. Ze begint hard te huilen en pakt me stevig vast.

Ik zeg: “Er zit veel verdriet in jou, klopt dat?” Ze knikt. Ze leunt steeds meer in mijn armen. Voorzichtig vraag ik waar het verdriet vandaan komt. Ik geef haar erkenning voor hoe zwaar het voor haar is en nodig haar uit om te delen wat ze wil delen.

Eerst zegt ze: “Ik weet niet hoe ik het moet zeggen en welk deel.”
Ik reageer rustig: “Je mag zeggen wat je wilt delen.”

Vanaf dat moment komen er meerdere gebeurtenissen uit haar thuissituatie naar boven. In tranen, terwijl ik haar vasthoud, deelt ze steeds meer. Ik blijf luisteren, zonder oordeel, met aandacht voor mijn meervoudige partijdigheid. Soms trek ik haar iets dichter tegen me aan, soms reageer ik met woorden, soms met stilte.

Dan wordt het stil. Ze stopt met praten en droogt haar tranen. Ik laat haar los en we kijken elkaar aan. Het is tijd om naar buiten te gaan. Ze staat op en wil graag naar buiten.

Voor ze wegloopt vraagt ze: “Mag ik je nog een knuffel geven?”
Dat doen we.

Later, in de kring, vraag ik wat de kinderen van de dag meenemen naar huis. Zij zegt:
“Dat er echt naar mij geluisterd is.”

– Isis van der Slikke