“Voor mensen die hun partner hebben verloren, heb je een naam: weduwe of weduwnaar. Voor kinderen die hun ouders hebben verloren, gebruiken we het woord ‘wees’. Voor ouders die hun kind verloren hebben, is geen woord. Het is een naamloos, diep verdriet.”1
Ard Nieuwenbroek (1949) is een trainer, therapeut en supervisor bij OrthoHulp in Sint-Oedenrode. Hij is orthopedagoog, sociaal pedagoog en onderwijzer. Hij heeft meerdere boeken geschreven, waaronder: Elviskinderen begeleiden. Uit de schaduw van je overleden broer of zus.
Nieuwenbroek heeft een persoonlijke benadering ontwikkeld voor de begeleiding van vervangkinderen en hun families. Hij heeft voor deze (volwassen) kinderen een nieuwe term geïntroduceerd: Elviskinderen. De term ‘Elviskind’ refereert aan de bekende zanger Elvis Aaron Presley, die bij de geboorte zijn tweelingbroer verloor. In dit artikel deelt Ard Nieuwenbroek zijn verhaal.
Door Lida Tasma
Hoe kwam het werken met Elviskinderen op je pad?
Peter, een cliënt uit mijn praktijk, heeft mij op dit spoor gebracht. Toen we een genogram voor hem maakten, kwamen we erachter, dat er vier jaar tussen hem en het kind vóór hem zat. Ik vroeg hem: “Kun je je ouders vragen hoe het komt dat er zoveel tijd tussen jou en je oudere broer zit?” Hij kwam de keer daarop huilend bij mij. Hij droeg een Albert Heijn-tasje met een tekening, die zijn ouders in hun eigen slaapkamer hadden opgehangen achter de linnenkast. Zichtbaar én onzichtbaar. Hij zei: “Mijn ouders hebben mij verteld dat er twee jaar voor mijn geboorte een stilgeboren kindje is geweest, een jongetje.” De tekening hadden zijn ouders laten maken van zijn broertje. Het was al die tijd een familiegeheim geweest. Hij had ook een naam gekregen en dat gaf zoveel inzichten! Ik heb toen ook met zijn ouders en zijn twee zussen gewerkt. Dat hele familiegeheim en die wond zijn hierdoor voor een deel geheeld. Daarna is het dankzij deze therapie heel snel gegaan met die jongen met een enorme afname van klachten die hij in 23 jaar had opgebouwd.
De ervaring met deze cliënt en de heling van zijn familiesysteem hebben diepe indruk op mij gemaakt, waarbij ik wakker werd geschud voor deze problematiek. Dit is inmiddels drie jaar geleden. Mijn webmaster wist mij vervolgens te vertellen dat Elvis een soortgelijke achtergrond heeft.
Tijdens mijn zoektocht naar meer informatie over vervangkinderen, kwam ik in contact met Kristina Schellinski, een Jungiaanse psychoanalyticus uit Zwitserland. Zij heeft een prachtig boek geschreven over het thema vervangkinderen, getiteld Individuation For Adult Replacement Children. Ways of Coming into Being.2 Zij zei tegen mij: “Ard, ik moet je een rare vraag stellen. Ben je zelf niet ook een Elviskind? Alles ruikt aan jou naar een Elviskind.” Toen realiseerde ik mij dat de kans groot is, dat ik ook een Elviskind ben. Mijn ouders hebben zeven jaar op mij, als oudste, moeten wachten. Mijn ouders zijn allebei overleden, dus ik heb dit niet met hen kunnen bespreken. Een oudere nicht wist mij te vertellen dat mijn moeder minstens drie miskramen heeft gehad. Maar hier is nooit over gesproken. Toen vielen de nodige kwartjes, een half jaar nadat ik met het schrijven van het boek Elviskinderen begeleiden. Uit de schaduw van je overleden broer of zus begonnen was.
“Elvis Presley zag op 8 januari 1935 het levenslicht. Slechts een half uur voordat Elvis zelf ter wereld kwam, werd na een zeer zware bevalling zijn tweelingbroer Jesse dood geboren. Even later werd ook Elvis geboren.”3 Elvis is een anagram voor Lives.
Ik heb begrepen dat jij het kunt voelen, als je met een Elviskind van doen hebt. Kun je dit toelichten?
Ja. Ik ruik het bijna. Een paar aspecten die ik zo kan noemen: het zijn allemaal ongelooflijk aardige mensen. Vanaf het begin willen ze geven aan mij. Ze gaan voor mij zorgen, ook als cliënt. Elviskinderen zijn constant bezig met geven, maar wat zij lastig vinden, is ontvangen. Ze cijferen zichzelf weg. Als ze na het gesprek weggaan, pakken ze het kopje op en vragen: “Zal ik het ergens neerzetten?” Zelf heb ik ook moeten leren om ontvangen en geven meer met elkaar in evenwicht te brengen. Ik geef nog steeds heel veel, maar niet meer in situaties waarbij ik vermoed niks terug te krijgen. Ik ben meer gaan differentiëren. Hulpbronnen hierbij zijn voor mij onder andere: therapie, inzichten verkrijgen, lezen, wandelen en praten.
Hoe beïnvloedt jouw eigen achtergrond als Elviskind jouw werk als therapeut?
Mijn achtergrond is de basis waarom ik voor dit vak gekozen heb. Een Elviskind wil namelijk geven. Je bent er om iets wat open staat, te helen. In dit geval als kind naar de ouders toe. Als bewijs dat je ertoe doet, dat je gerechtigd bent om te bestaan. Dat is één van de drijfveren van dit vak, dat ik ook als ik mij verbind met cliënten die hier komen, er voor ze ben van mens tot mens. Het gevaar daarvan is natuurlijk, dat ik de therapie ga gebruiken, om mijn eigen heling tot stand te brengen. Dat kan dus níet, daarom heb ik als 75-jarige ook nog steeds supervisie.
Het is voor mijn manier van werken primair van belang dat ik in mijn relatie hulpverlener-hulpvrager, de ongelijkheid van rollen handhaaf. Het secondaire is dat ik als hulpverlener gelijkwaardig ben aan mijn cliënt en vice versa. De informatie, dat ik een Elviskind ben, deel ik tijdens sessies alleen als dit van belang is in het gesprek. De cliënt staat centraal, niet mijn behoefte om erkenning te krijgen voor het feit dat ik een Elviskind ben. Dat zou niet ethisch zijn, want daar komt iemand niet voor. Dát is primair.
Ik moet erg waken voor (tegen-)overdracht, zeker als ik met Elviskinderen werk. Dat zit op de thema’s ‘ertoe doen’, ‘erkenning krijgen’ en zelfvalidatie en hangt samen met de vragen: “Ben ik goed genoeg?” en “Kan ik alleen maar gelukkig zijn als ik een ander gelukkig kan maken?”
Ik heb mijn eigen achtergrond als Elviskind constructief in kunnen zetten. Toch heb ik ook mijn kwetsbaarheden. Ik heb te maken gehad met een cliënt, die toen we spraken over zijn pathologie, mijn integriteit in twijfel trok. Natuurlijk is het nooit leuk om zoiets te horen als therapeut, maar bij mij is dat echt als een bliksemschicht. Ik kan wekenlang wakker liggen van zo’n onterechte aanval. Dat is kwetsbaarheid. Dit stuk kan ik pas plaatsen, sinds ik weet dat ik een Elviskind ben. Ik ben gewoon hooggevoelig, net als de meeste Elviskinderen.
Hoe komen Elviskinderen tot heling?
Heling begint met inzicht. Vaak werk ik hiervoor met een genogram, een gedetailleerde stamboom die relaties en dynamieken binnen een familie weergeeft. Contextuele therapie, zoals toegepast bij Elviskinderen, richt zich op het erkennen van onrecht en het herstellen van de balans tussen geven en ontvangen in relaties. Deze methode helpt Elviskinderen om hun eigenwaarde te versterken door inzicht te krijgen in hun familiegeschiedenis en de dynamieken die hun gedrag beïnvloeden.
Sinds 1991 werk ik met de contextuele therapie, waarbij we belangrijke relaties in actie verkennen in een veilige en ondersteunende omgeving. Differentiatie van de onbewuste symbiose tussen de hulpvrager en de overleden broer of zus is hierbij van cruciaal belang. Ook het ontschuldigen van de ouders, die vaak onbewust schuldgevoelens overdragen aan hun kind, speelt een belangrijke rol. Veel Elviskinderen voelen zich schuldig omdat zij de plek hebben ingenomen van het overleden kind. Hoewel dit niet realistisch of ethisch juist is, is het wel begrijpelijk. Loyaliteit is een enorm sterke beweging die tegen alle logica ingaat en ook destructief kan werken. Een kind is altijd loyaal, of het dit wil of niet.
Kun je iets meer vertellen over de existentiële thematiek bij Elviskinderen?
Een meisje van 15 in mijn praktijk verwoordde het treffend: “Ik moet leven voor twee en ik hou het niet meer vol.” Dit gaat over leven, over de vraag of je gerechtigd bent om te leven, gekoppeld aan zelfvalidatie. Vragen zoals “Doe ik ertoe?” en “Mag ik er zijn?” spelen vaak onbewust mee in iemands leven.
“In de psychologische biografie The Inner Elvis (Whitmer, 1996) beschrijft de auteur de gebeurtenissen rondom de geboorte van Elvis en zijn broer Jesse. Elvis’ moeder zou hebben verkondigd dat Elvis de macht van twee mensen zou hebben en dat hij daarom voor twee mensen zou gaan leven.”
De thema’s leven en dood zijn juist bij Elviskinderen zeer actueel. Zelf houd ik mij ook bezig met de dood, de laatste jaren wat meer sinds ik 75 geworden ben. Wat ik daarbij voel en denk, wisselt soms per dag en gaat van het ene naar het andere uiterste. Wat ik in dit verband naar Elviskinderen toe belangrijk vind, is een fascinerende verbinding met de dood. De dood leeft in mij voort door de dood van een broer of zus. Die verbinding met de overleden broer of zus, is ook een verbinding met de dood. Wat ik therapeutisch doe, is om dat te differentiëren. Je kunt verbinding hebben met je overleden broer of zus, zonder een verlangen naar de dood te hebben. In het therapeutisch werken met de overleden broer of zus, laat ik die overleden broer of zus dan uitspreken: “Ik ben dood en jij leeft” en “Jij mag het leven van mij hebben, ook als ik dood ben.” “Jij hoeft niet mee te gaan in mijn dood.”
Kan geestelijke begeleiding ten aanzien van Elviskinderen een rol spelen?
Elviskinderen hebben in principe dezelfde zingevingsvragen als niet- Elviskinderen, maar de bron van hun vragen is anders. Iemand kan bijvoorbeeld disfunctionerend zoekend zijn, door een traumatische ervaring zoals incest gepleegd door een ouder. Dit leidt tot vergelijkbare vragen: ‘Wie ben ik?’ en ‘Ben ik gerechtigd te bestaan, gezien wat mij is overkomen?’ Geestelijke Begeleiding gaat over het Zijn, in verbinding met spiritualiteit, en draait om de vraag: ‘To be or not to be’. In ‘Individuation for Adult Replacement Children. Ways of Coming into Being.’2, beschrijft Kristina Schellinski hoe Elviskinderen hun eigen Zijn en uniciteit ontdekken. Door
middel van gesprekken en reflectie in een vertrouwde setting komen zij weer terug bij hun eigen spirituele bron.
Hoe beleef jij jouw spiritualiteit?
Ik geloof, maar ik geloof absoluut niet in een vermenselijkte God. Ik begrijp de menselijke naïviteit in de geschiedenis, dat we van God een mens gemaakt hebben, een beeld met alle beelden die daarbij horen, van Maria, van Jozef en van Jezus, de mens-geworden God. Mijn spiritualiteit en mijn bidden en mijn verbinding is ook met het Goddelijke en niet met God. En dat ontmoet ik vaak in mijzelf, dus ook in mijn bidden komt dat tot uiting. En in mijn bidden, omdat ik ook gewoon mens ben, gebruik ik ook weer menselijke beelden. Als ik tot Maria bid, heb ik een beeld van Maria voor me, omdat ik niet kan bidden tot iets dat ik niet kan vatten in taal. Ik geloof erg in het universum, in de betekenisvolheid van het Zijn, hoewel ik niet weet wat het is, die betekenisvolheid. Ik geloof in betekenisvol Zijn, in wat wij in ons leven Zijn. Ik kom net terug uit Zuid- Afrika. Als ik dan bij de Indische Oceaan kijk naar die golven, dan besef ik weer die spiritualiteit en het universum en hoe ik maar een deel uitmaak, maar een druppel ben in die oceaan van het universum. Maar dat ik ook in de golven zit van dat universum. En die golven zoek ik ook op. De golven waar beweging is, waar iets met mensen gebeurt, want wat er tussen mij en mensen gebeurt, acht ik vaak met Goddelijke genade gegeven. Het is ook vaak zo dat ik in mijn werk opmerk: ‘Wat zég ik nou toch eigenlijk?’ Ik kan dat niet beredeneren, maar het ís er wél. Wat ik op zo’n moment zeg, komt voor mij voort uit Goddelijke Genade. Zo ervaar ik dat.
Je bent heel actief, onder andere als mede- oprichter van het wereldwijde netwerk ‘Replacement-Child-Professionals’. Wat zou je, gericht op de toekomst, nog meer willen bereiken?
Ik hóóp niets. Wat ik op mijn 75e in alle rust wil doen, is mij verbinden met zoveel mogelijk mensen omtrent het Elviskind-verhaal. Opdat ik zelf in het leven van andere mensen een kiezelsteentje in de rivier kan verleggen. Meer pretenties heb ik niet.
Bronnen
- Nieuwenbroek, Ard, en Judith Kimenai. Elviskinderen begeleiden: Uit de schaduw van je overleden broer of zus. Acco Uitgeverij B.V., 2023 (p.10)
- Schellinski, Kristina E. Individuation for Adult Replacement Children: Ways of Coming into Being. Routledge, 2020
- Nieuwenbroek, Ard, en Judith Kimenai. Elviskinderen begeleiden: Uit de schaduw van je overleden broer of zus. Acco Uitgeverij B.V., 2023 (p.10)
